Neoliberalisme is een ideologie en beleidsmodel dat de concurrentie op de vrije markt centraal stelt in het economische leven. Het is geen monolithisch gedachteblok. Geleerden debatteren over de exacte grenzen ervan, maar de kern is meestal duidelijk. Het berust op laissez-faire economie. De overtuiging is simpel: aanhoudende economische groei stimuleert de menselijke vooruitgang. Vrije markten zijn de meest efficiënte manier om middelen toe te wijzen. De staat moet zo min mogelijk ingrijpen in sociale en economische zaken. Handel en kapitaal moeten vrijelijk over de grenzen heen kunnen stromen.
Neoliberalisme versus modern liberalisme: een cruciaal onderscheid
De termen klinken vergelijkbaar. Ze zijn verschillend. Beide vinden hun wortels in het 19e-eeuwse klassieke liberalisme. Die oudere traditie was voorstander van economische vrijheid. Het waardeerde individuele vrijheid tegenover buitensporige overheidsmacht. Adam Smith is het gezicht van dit tijdperk. In The Wealth of Nations (1776) betoogde hij dat markten worden geleid door een ‘onzichtbare hand’. Overheden zouden zich minimaal moeten bemoeien.
Het klassieke liberalisme splitste zich op in concurrerende tradities. Het moderne liberalisme is voortgekomen uit het sociaal liberalisme. Het concentreerde zich op belemmeringen voor de vrijheid. Armoede, ongelijkheid, ziekte, discriminatie en onwetendheid verstikken individuen. Het onbelemmerde kapitalisme veroorzaakt vaak deze problemen. Om dit probleem op te lossen is directe staatsinterventie nodig.
Maatregelen begonnen eind 19e eeuw. De beloning van werknemers werd standaard. Scholen en ziekenhuizen ontvingen publieke financiering. Er werden regels opgesteld over werktijden en -omstandigheden. Halverwege de 20e eeuw evolueerde dit naar de verzorgingsstaat. Het omvatte een breed scala aan sociale diensten en voordelen. Het neoliberalisme verwerpt dit model. Het beschouwt staatsinterventie als een verstoring van de marktefficiëntie.
Het keerpunt van de jaren zeventig en de intellectuele grondslagen
De jaren zeventig veranderden alles. De economische stagnatie is toegeslagen. De staatsschuld steeg enorm. Economen begonnen een terugkeer naar de klassieke liberale principes te bepleiten. Deze opleving werd neoliberalisme genoemd. Twee denkers legden de basis.
Friedrich von Hayek was een in Oostenrijk geboren Britse econoom. Hij betoogde dat interventionistische maatregelen gericht op het herverdelen van rijkdom onvermijdelijk tot totalitarisme leiden. Milton Friedman was een Amerikaanse econoom. Hij verwierp het begrotingsbeleid van de overheid als instrument om de conjunctuurcyclus te beïnvloeden. Deze benadering staat bekend als monetarisme. Hun standpunten wonnen terrein. Grote conservatieve politieke partijen omarmden ze.
De macht verschoof naar leiders die deze idealen belichaamden. Margaret Thatcher was van 1979 tot 1990 de Britse premier. Ronald Reagan leidde de Verenigde Staten van 1981 tot 1989. Hun langdurige regeringen normaliseerden het neoliberale beleid. Deregulering werd de norm. De privatisering breidde zich uit.
Globalisering en politieke verschuivingen
De neoliberale ideologie werd in de loop van de jaren negentig steeds invloedrijker. Nationale economieën werden onderling afhankelijker. Dit tijdperk van economische mondialisering vereiste nieuw beleid. Neoliberalen drongen aan op vrijhandelsovereenkomsten. Zij steunden het vrije verkeer van internationaal kapitaal.
Politieke partijen pasten zich aan of gingen uiteen. De Britse Labour Party heeft in 1995 officieel afstand gedaan van haar engagement voor het ‘gemeenschappelijke eigendom van de productiemiddelen’. De Amerikaanse Democratische Partij heeft een voorzichtig pragmatisch beleid gevoerd. De New Labour-beweging accepteerde marktmechanismen.
Het libertarisme kwam naar voren als een aparte politieke kracht. De Libertarische Partij kreeg bekendheid in de Verenigde Staten. In verschillende landen ontstonden denktanks. Deze instellingen propageerden het libertaire ideaal van markten en sterk beperkte regeringen. Het doel was om de rol van de staat in het dagelijkse economische leven te verkleinen.
De crisis van 2008 en de afwijzing van maximale vrije markten
De financiële crisis van 2007 en de Grote Recessie verbrijzelden deze consensus. De crisis heeft de Verenigde Staten en West-Europa het hardst getroffen. Economen en politieke leiders begonnen de neoliberale nadruk op een maximaal vrije markt te verwerpen. Ze riepen op tot meer overheidsregulering van de financiële en banksector.
De crisis heeft de risico’s van deregulering blootgelegd. Het daagde de overtuiging uit dat markten zichzelf efficiënt corrigeren. Het neoliberalisme kreeg voor het eerst te maken met grote systeemkritiek. Het debat over de rol van de overheid in de economie nam toe.
Belangrijkste afhaalrestaurants
- Het neoliberalisme legt de nadruk op vrije marktconcurrentie en minimale staatsinterventie.
- Het verschilt van het moderne liberalisme, dat staatsoptreden ondersteunt om sociale ongelijkheden aan te pakken.
- De intellectuele basis werd gelegd door Friedrich Hayek en Milton Friedman.
- Onder Thatcher en Reagan vonden in de jaren tachtig grote politieke verschuivingen plaats.
- De financiële crisis van 2008 leidde tot een roep om meer financiële regulering.
Het debat gaat door. Markten blijven centraal staan in het mondiale economische beleid. Maar de lessen van 2008 blijven hangen. Hoeveel regelgeving is genoeg? Waar ligt de grens tussen efficiëntie en stabiliteit? De antwoorden worden nog geschreven.